Chez les Carolos
Dit weekend besloot ik erop uit te trekken richting Zuiderburen. Thomas, een wel-geëduceerde Waalse vriend die ik voor het eerst onmoette op de trein naar Leuven, nodigde mij uit om onder zijn hoede de woesternij van Charleroi te bezichtigen. Hoewel het miezerige vooravondbriesje niet veel goeds voorspelde, bleek het de voorbode van een gezellige avond in een van de buitenwijken van de Carolos. De sfeer op het Matnoir-festival steeg ten top en de muziek van Les fils de l’autre trok me bij mijn eerste grijze haren. Rond mij huppelde een flamboyant gezelschap van Walen die allen olijk meezongen. Ik werd voorgesteld aan tientallen vrienden, waardoor ik vermoedde dat ik toch op een of andere manier een soort van unicum was.
Daags nadien werd ik door de gastheer uitgenodigd voor een toer rond Charleroi. Het was geweldig in die zin dat het rustig was, en natuurlijk. Zo groen, zo fris, en toch zonnig. Grootse huizen met enorme tuinen en blauwe zwembaden, fijne persoonlijkheden en witte wijn. Zoals het zou moeten zijn; abdijen, ruïnes, fijn onthaald, en lokale mensen werden me voorgesteld, tot de politieman van Charleroi, die toegaf dat hij bij vrienden al eens de passagiers liet blazen, toe.
Veel gelach, vriendschap, en water: aan de plaatselijke sluis gekomen, besloot ik het heft in eigen handen te nemen en de sluis aan de Abdij van Aulne met blote handen open te draaien. De economie draaide de met bloemen versierde voorbijvarende woonboot vast en zeker even beter dankzij mijn symbolische gebaar. Na een korte screening door één korte vraag; ‘NVA of geen NVA?’ werd ik joviaal onthaald door de familie en zowaar getrakteerd op een frisse Kriek.
Charleroi was top en het proefde naar meer.